BLOG: De Archiefwet 2026: wat betekent dit voor de FG en de PO?
maandag 19 oktober 2026
Auteur: Sonia Timori
De Archiefwet 2026 treedt op 1 januari 2027 in werking. De Eerste Kamer heeft op 12 mei 2026 ingestemd met het wetsvoorstel.1 Daarmee komt een einde aan de Archiefwet 1995, die nog sterk was gebaseerd op een papieren archiefpraktijk.2 Een belangrijke wijziging is dat overheden blijvend te bewaren informatie voortaan in beginsel al na tien jaar moeten overbrengen naar een archiefdienst. Nu is dat nog twintig jaar.3
Dat maakt de wet niet alleen relevant voor archivarissen. De Archiefwet 2026 raakt ook direct aan het werk van de Functionaris Gegevensbescherming (FG) en de Privacy Officer (PO). Overheidsinformatie bestaat inmiddels niet meer alleen uit papieren dossiers, maar ook uit emails, chatberichten, zaaksystemen, metadata en soms algoritmes.4 Veel van die informatie bevat persoonsgegevens. Daar zit voor FG’s en PO’s meteen het lastige punt. De AVG vraagt om dataminimalisatie, opslagbeperking en bescherming van persoonsgegevens.5 De Archiefwet vraagt juist om bewaren, beheren en toegankelijk houden van overheidsinformatie. Niet alles wat voor het primaire werkproces niet meer nodig is, mag dus zomaar worden vernietigd. Soms moet informatie blijven bestaan, bijvoorbeeld vanwege publieke verantwoording, rechtszekerheid of historisch belang.6
In dit artikel staat daarom de volgende vraag centraal: welke veranderingen brengt de Archiefwet 2026 mee ten opzichte van de Archiefwet 1995, en wat betekenen deze wijzigingen voor de FG en de PO?
Waarom een nieuwe Archiefwet?
De belangrijkste reden voor de Archiefwet 2026 is de digitalisering van de overheid. De Archiefwet 1995 geldt weliswaar ook voor digitale informatie, maar de wet en toelichting sluiten volgens de wetgever niet meer goed aan bij de praktijk van digitaal informatiebeheer.7 Dat is niet vreemd. Bij papieren archieven kon archivering vaak nog aan het einde van een proces plaatsvinden, zoals het ordenen, schonen, bewaren of vernietigen. Bij digitale informatie ligt dat anders. Informatie wordt opgeslagen in verschillende systemen, kan worden gekopieerd of gewijzigd en is vaak afhankelijk van metadata en contextinformatie om later nog vindbaar en begrijpelijk te zijn. Bij digitale informatie moet daarom al vroeg worden nagedacht over de vraag hoe documenten toegankelijk, betrouwbaar en bruikbaar kunnen blijven.8
De memorie van toelichting laat zien dat de nieuwe wet niet alleen gaat over het bewaren van oude stukken. De wet moet er ook voor zorgen dat overheidsinformatie goed te vinden is. Dat is nodig om later te kunnen nagaan hoe besluiten zijn genomen, om Woo-verzoeken goed te behandelen en om verantwoording af te leggen. De Archiefwet 2026 gaat daarmee niet alleen over cultureel erfgoed, maar ook over openheid en controle op de overheid.9 Daarbij speelt duurzame toegankelijkheid een belangrijke rol. Waar de Archiefwet 1995 nog sprak over archiefbescheiden die in goede, geordende en toegankelijke staat moeten worden gebracht en bewaard, gebruikt de nieuwe wet het begrip duurzame toegankelijkheid. Dat past beter bij digitale informatie. Informatie moet niet alleen worden bewaard, maar ook vindbaar, leesbaar, betrouwbaar en bruikbaar blijven.10
Voor de FG en de PO is dat relevant. Als persoonsgegevens jarenlang of zelfs blijvend worden bewaard, moet ook duidelijk zijn wie erbij kan, hoe de toegang wordt beperkt, wanneer vernietiging plaatsvindt en welke waarborgen gelden.
Wat verandert er ten opzichte van de Archiefwet 1995?
De meest zichtbare wijziging is de verkorting van de overbrengingstermijn. Onder de Archiefwet 1995 geldt als hoofdregel dat blijvend te bewaren archiefbescheiden na twintig jaar worden overgebracht naar een archiefbewaarplaats. In de Archiefwet 2026 wordt die termijn teruggebracht naar tien jaar.11 Voor de praktijk betekent dit dat blijvend te bewaren overheidsinformatie sneller bij de archiefdienst terechtkomt. Daarmee moet ook eerder worden beoordeeld of stukken openbaar kunnen worden of dat bijvoorbeeld persoonsgegevens reden zijn om de openbaarheid te beperken.12
De verkorting van de overbrengingstermijn geldt niet met terugwerkende kracht. De nieuwe termijn van tien jaar gaat alleen gelden voor documenten die na inwerkingtreding van de wet worden opgemaakt of ontvangen.13 Zo wordt voorkomen dat overheidsorganisaties in één keer een grote achterstand moeten wegwerken. Tegelijk laat dit ook zien waarom de wetgever de termijn wil verkorten. Digitale informatie is kwetsbaarder dan papier: systemen veranderen, bestandsformaten verouderen en context kan verloren gaan. Als overheden twintig jaar wachten met overbrengen, kan dat ten koste gaan van de duurzame toegankelijkheid van documenten.14
Een tweede wijziging betreft de beheerregels. Ook onder de huidige regelgeving bestaan al voorschriften over beheerregels. De Archiefwet 2026 neemt deze verplichting echter op in de wet zelf en werkt duidelijker uit wat daarin moet worden geregeld. In de beheerregels moet per categorie documenten onder meer worden beschreven welke maatregelen worden genomen om documenten duurzaam toegankelijk te maken en te houden en, waar nodig, tijdig te vernietigen.15 Daarmee wordt duidelijker vastgelegd hoe het beheer van documenten vóór de overbrenging moet worden georganiseerd.
Een derde aandachtspunt, dat op zichzelf niet nieuw is, is vernietiging. De Archiefwet 2026 werkt de bestaande vernietigingsplicht nader uit: het verantwoordelijke overheidsorgaan moet passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat documenten waarvan de bewaartermijn is verstreken en die niet van vernietiging zijn uitgezonderd, worden vernietigd.16 Dit sluit aan bij de AVG, maar valt er niet volledig mee samen. Vanuit het oogpunt van het privacyrecht kan te lang bewaren als problematisch worden gezien, omdat de AVG uitgaat van dataminimalisatie en opslagbeperking. Tegelijk kan te vroeg vernietigen in strijd zijn met de Archiefwet, wanneer documenten op grond van een selectiebesluit bewaard moeten blijven.17
Ook de regels over openbaarheid veranderen. Na overbrenging naar een archiefdienst zijn documenten in principe openbaar. De Archiefwet 2026 sluit bij uitzonderingen op die openbaarheid meer aan bij de Woo.18 Dit betekent dat een overheidsorgaan beter moet uitleggen waarom bepaalde documenten nog niet openbaar kunnen worden. Voor FG’s en PO’s is vooral van belang dat persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens of de persoonlijke levenssfeer reden kunnen zijn om de openbaarheid te beperken.19
Archiefwet en AVG: wat gold al en wat verandert?
De verhouding tussen de Archiefwet en de AVG is niet nieuw. Ook onder de Archiefwet 1995 moest al rekening worden gehouden met persoonsgegevens in overheidsinformatie. De memorie van toelichting bij de nieuwe Archiefwet zegt dat ook uitdrukkelijk: de AVG geldt onverkort voor de overheidsorganen waarop de Archiefwet van toepassing is.20 Voor FG’s en PO’s begint het dus niet pas bij de Archiefwet 2026. Zij moesten ook onder de Archiefwet 1995 al letten op persoonsgegevens die worden bewaard, vernietigd of later toegankelijk worden gemaakt. De AVG stelt daarbij grenzen: persoonsgegevens mogen niet langer worden bewaard dan nodig en organisaties mogen niet meer persoonsgegevens verwerken dan noodzakelijk. De Archiefwet dient andere belangen. Die wet gaat juist over het bewaren van overheidsinformatie, onder meer met het oog op verantwoording, onderzoek en het belang van toekomstige generaties.21
Dat betekent niet dat de AVG de archivering in de weg staat. De AVG houdt rekening met archivering in het algemeen belang. Persoonsgegevens mogen onder voorwaarden langer worden bewaard als dat gebeurt voor archiefdoeleinden. Wel moeten passende technische en organisatorische waarborgen worden genomen om de rechten en vrijheden van betrokkenen te beschermen, bijvoorbeeld rond toegang, beveiliging en verdere beschikbaarstelling van documenten.22
In de praktijk zit het lastige punt vooral bij bewaartermijnen, selectielijsten en vernietiging. Persoonsgegevens hoeven niet altijd zo snel mogelijk weg, maar de organisatie moet wel kunnen uitleggen waarom bepaalde gegevens worden bewaard, hoe lang dat gebeurt en welke bescherming daarbij geldt. Juist bij die selectielijst komt die afweging samen. Daarin worden bewaartermijnen voor categorieën overheidsinformatie vastgelegd, waarbij onder meer wettelijke termijnen, privacy en andere belangen worden meegewogen. Van de in de selectielijst vastgestelde bewaartermijnen kan niet zomaar worden afgeweken. Het verwerkingsregister moet op deze termijnen aansluiten en wordt aangepast als een bewaartermijn wijzigt.23 De Archiefwet 2026 gebruikt hiervoor de term “selectiebesluit” in plaats van “selectielijst”. Daarmee verandert de betekenis niet.24 Recentere literatuur laat zien dat er nog steeds discussie bestaat over de bewaring en wissing van persoonsgegevens, vooral bij wissingsverzoeken en de vraag welke betekenis een selectielijst precies heeft voor de bewaring van persoonsgegevens.25
De Archiefwet 2026 verandert deze basis niet. De AVG blijft de AVG. Wat wel verandert, is het moment waarop organisaties deze afweging moeten maken. Omdat blijvend te bewaren informatie eerder naar een archiefdienst gaat, moet ook eerder worden bekeken welke informatie bewaard blijft, welke informatie wordt vernietigd en of persoonsgegevens reden zijn om de openbaarheid te beperken. Voor FG’s en PO’s betekent dit vooral dat hun betrokkenheid eerder en concreter aan de orde komt bij keuzes over bewaren, vernietigen en openbaarheid.26
Wat betekent dit voor de FG?
Voor de FG verandert de wettelijke taak niet door de Archiefwet 2026. De FG blijft op grond van de AVG toezien op naleving van de privacyregels, adviseren over gegevensbescherming en adviseren bij DPIA’s.27 Ook onder de Archiefwet 1995 moest de FG al rekening houden met persoonsgegevens die worden bewaard, vernietigd of toegankelijk worden gemaakt. Wat wel verandert, is dat deze vragen eerder gaan spelen. Blijvend te bewaren documenten worden onder de Archiefwet 2026 in beginsel al na tien jaar overgebracht naar een archiefdienst. Na overbrenging zijn documenten in principe openbaar. Daardoor moet eerder worden beoordeeld of persoonsgegevens reden zijn om de openbaarheid te beperken.28
Voor de FG betekent dit dat hij of zij eerder moet meekijken bij keuzes over bewaren, vernietigen en openbaarheid. Dat geldt bijvoorbeeld bij dossiers met bijzondere persoonsgegevens, identificatienummers of informatie die de persoonlijke levenssfeer raakt. In zulke gevallen moet duidelijk zijn of openbaarheid wel mogelijk is of dat een beperking nodig is. Als de openbaarheid wordt beperkt, moet dat goed worden gemotiveerd.29
Dit betekent niet dat de FG de rol van een archivaris gaat innemen. De FG hoeft zelf niet te bepalen welke documenten blijvend bewaard moeten worden. De rol van de FG ligt vooral bij de privacyafweging. Is het duidelijk waarom persoonsgegevens worden bewaard? Is de toegang voldoende beperkt? Is bij overbrenging van documenten beoordeeld of persoonsgegevens openbaar mogen worden gemaakt? En, tot slot, wordt de AVG niet te makkelijk gebruikt als reden om informatie te vernietigen of af te schermen? Vooral dat laatste is belangrijk. De AVG betekent niet dat persoonsgegevens altijd zo snel mogelijk moeten worden vernietigd. Maar de Archiefwet betekent ook niet dat alles zonder meer bewaard en openbaar gemaakt kan worden. De rol van de FG is vooral om te bewaken dat die privacyafweging bewust wordt gemaakt en niet pas wanneer het dossier al naar de archiefdienst wordt overgebracht.
Wat betekent dit voor de PO?
Voor de PO ligt de nadruk meer op de uitvoering. De PO zit vaak dichter op processen, registers, beleid en afspraken binnen de organisatie. Daarom wordt de Archiefwet 2026 voor de PO vooral merkbaar bij de inrichting van het informatiebeheer. Onder de Archiefwet 1995 moest een organisatie al weten welke persoonsgegevens zij verwerkt, welke bewaartermijnen gelden, wanneer gegevens worden vernietigd en wie toegang heeft. Het verwerkingsregister moet daarbij aansluiten op de bewaartermijnen uit de selectielijst. Als die niet op elkaar aansluiten, is het voor de organisatie niet duidelijk wanneer persoonsgegevens moeten worden bewaard of juist vernietigd.30
De Archiefwet 2026 verandert dat niet volledig, maar maakt het wel concreter. Overheidsorganen moeten beheerregels vaststellen voor documenten die nog niet zijn overgebracht. Daarin moet per categorie documenten worden beschreven welke maatregelen worden genomen om documenten duurzaam toegankelijk te maken en te houden en om documenten tijdig te vernietigen.31
Voor de PO betekent dit dat de bewaartermijnen, vernietiging en duurzame toegankelijkheid niet alleen op papier moeten kloppen, maar ook in de dagelijkse praktijk uitvoerbaar moeten zijn. De Archiefwet 2026 geeft duurzame toegankelijkheid en tijdige vernietiging via de beheerregels wel een duidelijkere plek. Dit betekent dat informatie terug te vinden moet zijn en vernietiging uitvoerbaar moet zijn. Vanuit privacyoogpunt blijft daarnaast van belang dat toegang waar nodig kan worden aangepast en dat bij blijvende bewaring wordt beoordeeld of latere openbaarheid mogelijk is.32
Dit is vooral belangrijk bij de inrichting of aanpassing van processen waarin persoonsgegevens worden verwerkt.33 De PO moet dan niet alleen kijken naar de vraag of persoonsgegevens mogen worden verwerkt, maar ook naar wat er daarna met die gegevens gebeurt. Welke bewaartermijn geldt? Staat die termijn goed in het verwerkingsregister? Kan de informatie na afloop ook daadwerkelijk worden vernietigd? Wie houdt toegang als het dossier is afgerond? En, tot slot, is het duidelijk of bepaalde persoonsgegevens later een reden kunnen zijn om de openbaarheid van de documenten te beperken?
Daarmee wordt de rol van de PO concreter. De PO bepaalt niet zelf welke bewaartermijnen in een geldende selectielijst staan. De rol ligt vooral bij de toepassing binnen de eigen organisatie. Daarbij gaat het er bijvoorbeeld om of de bewaartermijnen uit de selectielijst juist worden toegepast en correct in het verwerkingsregister zijn vastgelegd.34 Als een dossier volgens de selectielijst nog bewaard moet blijven, kan het niet zomaar worden verwijderd. Maar als persoonsgegevens niet meer nodig zijn en er geen bewaarplicht meer geldt, dan moet vernietiging ook daadwerkelijk plaatsvinden. Dat geldt ook bij een verzoek om gegevenswissing. Zo’n verzoek moet niet alleen vanuit de AVG worden beoordeeld. Er moet ook worden gekeken wat de selectielijst daarover zegt en of de Archiefwet nog tot bewaren verplicht.35
Ook bij DPIA’s hoort dit terug te komen. Een DPIA gaat vaak vooral over het actieve gebruik van persoonsgegevens. Waarom worden (persoons)gegevens verzameld, wie gebruikt deze gegevens en welke risico’s zijn er? Bij overheidsorganisaties moet ook worden gekeken naar de fase daarna. Wat gebeurt er met de gegevens als het werkproces is afgerond? Worden de gegevens vernietigd, tijdelijk bewaard of blijvend bewaard? En, als ze worden bewaard, is er dan al nagedacht over toegang en latere openbaarheid?36
De PO staat hier niet alleen voor. Bewaartermijnen, selectielijsten, informatiebeheer, beveiliging en privacy raken elkaar. Daarom moet de PO op tijd afstemmen met informatiebeheer, de FG, de CISO, de proceseigenaar en waar nodig de archivaris. Dit betekent niet dat de PO ineens een archivaris wordt. Wel komen keuzes over privacy in de praktijk vaak samen met keuzes over bewaren, vernietigen en toegang.
Conclusie
De Archiefwet 2026 brengt een aantal belangrijke veranderingen met zich mee ten opzichte van de Archiefwet 1995. De overbrengingstermijn wordt verkort van twintig naar tien jaar. Daarnaast krijgen duurzame toegankelijkheid, beheerregels, vernietiging en de motivering van openbaarheidsbeperkingen een duidelijkere plek in de wet.
Voor FG’s en PO’s betekent dit niet dat hun rol volledig verandert. Veel aandachtspunten bestonden al onder de Archiefwet 1995 in combinatie met de AVG. Persoonsgegevens in overheidsinformatie moesten al worden beschermd. Bewaartermijnen moesten al worden verantwoord. Ook vernietiging mocht niet zomaar buiten de selectielijst om plaatsvinden.
Wat de Archiefwet 2026 vooral doet, is dat deze onderwerpen eerder aan de orde komen. Als blijvend te bewaren informatie eerder wordt overgebracht, moet ook eerder worden nagedacht over openbaarheid, beperking van openbaarheid en langdurige bewaring van persoonsgegevens. Door de nadruk op duurzame toegankelijkheid en beheerregels moeten die keuzes bovendien al worden meegenomen bij de inrichting van processen, registers en systemen.
Voor de FG ligt de nadruk vooral op toezicht en advies. De FG moet bewaken dat privacyrisico’s bij langdurige bewaring en openbaarheid niet worden vergeten. Voor de PO ligt de nadruk meer op de uitvoering daarvan. Zijn de juiste bewaartermijnen in het verwerkingsregister vastgelegd, kan vernietiging daadwerkelijk plaatsvinden, zijn toegangsrechten goed geregeld en wordt bij DPIA’s ook gekeken naar wat er met gegevens gebeurt na afronding van het werkproces? Ook bij selectielijsten is dat van belang. Een individuele FG of PO stelt de bewaartermijnen niet zelf vast, maar heeft binnen de eigen organisatie wel een rol bij de juiste toepassing van die termijnen en het bewaken van de privacyaspecten daarbij.
De Archiefwet 2026 maakt van FG’s en PO’s dus geen archivarissen. Wel zorgt de wet ervoor dat vragen met betrekking tot privacy eerder onderdeel worden van archiefkeuzes. Niet pas wanneer een dossier wordt overgebracht naar een archiefdienst, maar al eerder wanneer wordt bepaald hoe informatie wordt bewaard, wie erbij kan, wanneer vernietiging plaatsvindt en of latere openbaarheid mogelijk is. Daarom is het voor FG’s en PO’s belangrijk om al vroeg betrokken te zijn bij keuzes over bewaren, vernietigen, toegang en openbaarheid.
Bronvermelding:
1 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ‘Nieuwe Archiefwet maakt overheid transparanter’, rijksoverheid.nl, 12 mei 2026; Eerste Kamer, wetsvoorstel 35 968, Archiefwet 2026, stand van zaken.
2 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 4, 17 en 19.
3 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 27 en 85.
4 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 9.
5 Art. 5 lid 1 onder c, e en f AVG.
6 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 18.
7 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 4 en 17.
8 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 16 en 19-21.
9 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 2-4, 6 en 46.
10 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 19-22.
11 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 27 en 85.
12 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 10-11.
13 Kamerstukken I 2025/26, 35 968, D, p. 9 en 19; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 50.
14 Kamerstukken I 2025/26, 35 968, D, p. 9-10 en 19.
15 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 80; Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 7.
16 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 84.
17 Art. 5 lid 1 onder c en e AVG; Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8.
18 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 11-12; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 89-90.
19 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 11-12; Kamerstukken I 2025/26, 35 968, D, p. 23-24.
20 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 48-49.
21 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 49; KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van het informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 9-10.
22 Art. 5 lid 1 onder b en e AVG; art. 89 lid 1 AVG; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 49.
23 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 26-27; KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van het informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 38-39.
24 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 24; Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 7-8.
25 Niels van Driel, ‘Wissing van persoonsgegevens. Praktisering van een recht tussen AVG en Archiefwet’, P&I 2026/10, p. 48-49 en 51-52.
26 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8 en 11-12.
27 Art. 39 AVG.
28 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8 en 11; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 30-31.
29 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 11-12.
30 Art. 30 AVG; KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van het informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 38-39.
31 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 7.
32 Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 80; KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van het informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 36 en 38-39.
33 KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van het informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 16 en 31.
34 Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 7-8; Kamerstukken II 2021/22, 35 968, nr. 3, p. 25-27; KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 38-39.
35 Niels van Driel, ‘Wissing van persoonsgegevens. Praktisering van een recht tussen AVG en Archiefwet’, P&I 2026/10, p. 47, 49 en 51-52.
36 Art. 35 AVG; art. 25 AVG; Kamerstukken I 2024/25, 35 968, A, p. 8; KIA Werkgroep AVG, Weten of vergeten? Handreiking voor het toepassen van de Algemene verordening gegevensbescherming in samenhang met de Archiefwet in de dagelijkse praktijk van het informatiebeheer bij de overheid, april 2020, p. 38-40.